Achtergrond
De zaak begon bij een bv die op 27 juni 2023 aangifte vennootschapsbelasting over 2021 deed en bij de voorlopige aanslag 90.969 euro belastingrente kreeg berekend over de periode van 1 juli 2022 tot en met 26 augustus 2023, tegen 8 procent. Dat percentage volgde uit artikel 1, letter b, van het Besluit belasting- en invorderingsrente, dat voor de vennootschapsbelasting aansluit bij de wettelijke handelsrente met een minimum van 8 procent. Rechtbank Noord-Nederland verklaarde die bepaling op 7 november 2024 onverbindend en rekende met 4 procent.
De staatssecretaris ging in sprongcassatie. De Hoge Raad ontving 149 schriftelijke reacties van derden en verklaarde het beroep op 16 januari 2026 ongegrond. Het hogere percentage diende alleen een budgettair doel en legde de extra last zonder goede grond bij één groep belastingplichtigen. Een nog niet geformaliseerde belastingschuld is niet vergelijkbaar met een handelsvordering. Ten overvloede overwoog de Hoge Raad dat het algemene percentage van artikel 1, letter a, zelf de toets aan het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel doorstaat.
Wat dit in de praktijk betekent
Het arrest ziet op de regeling zoals die in 2022 en 2023 gold. Voor de vennootschapsbelasting geldt in plaats van 8 procent het algemene percentage, dat in die jaren aansloot bij de wettelijke rente met een minimum van 4 procent; met ingang van 2024 is dat minimum 4,5 procent. Een verdere verlaging zit er niet in, want de Hoge Raad acht het algemene percentage niet onevenredig. De Hoge Raad wijst zelf op de vele procedures waarin dit percentage ter discussie staat.
Bron
Dit bericht is een signalering en geen advies. Aan de inhoud kunnen geen rechten worden ontleend; raadpleeg ons voordat u op grond hiervan handelt.