Achtergrond
Een broer en zus erfden in 2011 alle aandelen in de bv van hun moeder. In haar aangifte over 2011 stond geen vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang en een afzonderlijk doorschuifverzoek ontbrak. Toen de bv in 2020 werd ontbonden en vereffend, rekende de broer met de waarde van de aandelen bij het overlijden als verkrijgingsprijs en gaf hij een verlies aan. De inspecteur ging uit van de helft van het gestorte kapitaal.
Het hof stelt voorop dat het verzoek van artikel 4.17a Wet IB 2001 moet uitgaan van alle belanghebbenden samen, dus van de vertegenwoordiger van de erflater en alle verkrijgers. Omdat afrekenen in 2011 de hoofdregel was, ligt in het weglaten van het voordeel een keuze voor doorschuiven. De broer ondertekende de aangifte voor zijn moeder en voor zichzelf, en zijn zus had hem daartoe al dan niet stilzwijgend gemachtigd. Of de bv een materiële onderneming dreef, liet het hof in het midden, omdat de aanslag over 2011 onherroepelijk vaststaat.
Wat dit in de praktijk betekent
Bij de vererving van aanmerkelijkbelangaandelen bepaalt de laatste aangifte van de erflater welke verkrijgingsprijs de erfgenamen meekrijgen. Wie die aangifte ondertekent, bindt daarmee ook de mede-erfgenamen namens wie hij optreedt. Een keuze die in een onherroepelijke aanslag is verwerkt, laat zich jaren later bij verkoop of liquidatie niet meer terugdraaien. Het loont daarom om de keuze tussen doorschuiven en afrekenen bij de afwikkeling van de nalatenschap uitdrukkelijk te maken en vast te leggen, per erfgenaam.
Bron
Dit bericht is een signalering en geen advies. Aan de inhoud kunnen geen rechten worden ontleend; raadpleeg ons voordat u op grond hiervan handelt.