Achtergrond
De bedrijfsopvolgingsregeling in de schenk- en erfbelasting en de doorschuifregeling in de inkomstenbelasting kennen een bezitseis en een voortzettingseis. De schenker moet de onderneming ten minste vijf jaar hebben gedreven en bij overlijden geldt een termijn van één jaar. De verkrijger moet de onderneming daarna ten minste drie jaar voortzetten; voor overdrachten van vóór 1 januari 2025 is dat vijf jaar. De versoepeling voor herstructureringen komt uit eerdere belastingplannen, waarvan de onderdelen gefaseerd in werking treden.
Sinds 1 januari 2026 is de directe of indirecte gerechtigdheid tot de onderneming het uitgangspunt. Blijft die vóór en na de herstructurering gelijk, dan loopt de termijn door. Neemt de gerechtigdheid van de schenker of erflater toe, dan begint voor dat deel een nieuwe bezitstermijn. Neemt de gerechtigdheid van de verkrijger binnen de voortzettingstermijn af, of ontvangt hij liquiditeiten, dan vervalt de vrijstelling in zoverre en is over dat deel alsnog schenk- of erfbelasting verschuldigd.
Wat dit in de praktijk betekent
Een herstructurering rond een overdracht is daarmee niet vrij van gevolgen. Bepalend is of het belang van de betrokkene in de onderneming vóór en na de rechtshandeling gelijk is. Een verschuiving in de onderlinge verhoudingen of een uitkering in geld kan voor dat deel de bezitstermijn opnieuw laten lopen of de vrijstelling laten vervallen. Leg de gerechtigdheid vóór en na de herstructurering daarom cijfermatig vast en bewaar de onderbouwing bij het dossier.
Bron
Dit bericht is een signalering en geen advies. Aan de inhoud kunnen geen rechten worden ontleend; raadpleeg ons voordat u op grond hiervan handelt.