Achtergrond
Het standpunt (KG:003:2026:8) gaat over een vader die via zijn holding alle aandelen in een werkmaatschappij houdt. De werkmaatschappij wordt afgesplitst naar een nieuw opgerichte bv, waarvan de vader de aandelen aan één kind schenkt. Het andere kind krijgt een goed van lagere waarde. Om de schenkingen gelijk te trekken wordt in het splitsingsvoorstel een vordering van de holding op de nieuwe bv opgenomen.
Volgens de kennisgroep kan die vordering niet tot het afgesplitste vermogen behoren, omdat zij op het moment van de afsplitsing nog niet bestond. Zij is evenmin een bijbetaling in de zin van artikel 2:334x van het Burgerlijk Wetboek. De vordering ontstaat bij de oprichting van de nieuwe bv, zonder tegenprestatie en vanwege de aandeelhoudersrelatie. De nieuwe bv verarmt en de holding verrijkt. Dat is een winstuitdeling aan de vader, belast als regulier voordeel in de zin van artikel 4.12 Wet IB 2001, gevolgd door een informele kapitaalstorting van de vader in de holding.
Wat dit in de praktijk betekent
Het gelijktrekken van schenkingen tussen een opvolgend en een niet-opvolgend kind via een schuld in de splitsingsakte is daarmee fiscaal niet neutraal: de Belastingdienst ziet er een dividenduitkering in. Wie de waarde van de over te dragen vennootschap wil verlagen, zal moeten uitgaan van schulden die al bestaan of waar een reële tegenprestatie tegenover staat, of de gelijkstelling buiten de vennootschap moeten regelen. Het standpunt bindt de rechter niet, maar geeft wel aan hoe de inspecteur zulke structuren beoordeelt.
Bron
Dit bericht is een signalering en geen advies. Aan de inhoud kunnen geen rechten worden ontleend; raadpleeg ons voordat u op grond hiervan handelt.