Achtergrond
De gebruikelijkloonregeling geldt voor iedere aandeelhouder met een aanmerkelijk belang die ook werkzaamheden voor de bv verricht. Werkt de fiscale partner mee in de bv, dan moet ook voor de partner een gebruikelijk loon in aanmerking worden genomen. Het normbedrag is het vaste bedrag in de drieledige toets en ligt in 2026 op 58.000 euro, 2.000 euro hoger dan in 2025. Volgens een brief van het kabinet van 3 maart 2026 ligt dat bedrag vrijwel gelijk aan 125 procent van het modale inkomen.
In die brief over het vervolgonderzoek naar de regeling ziet het kabinet geen aanleiding het normbedrag generiek te verhogen of te differentiëren naar de loonsom van de bv. Uit de evaluatie bleek dat de werkelijke loonsom van directeuren-grootaandeelhouders ongeveer 80 procent bedraagt van de geschatte juiste loonsom, en dat goede informatie over het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking ontbreekt. Het kabinet laat de haalbaarheid van een uniforme methode voor functiewaardering onderzoeken, en de Belastingdienst analyseert data voor een gerichtere handhaving.
Wat dit in de praktijk betekent
Een loon onder het hoogste van de drie bedragen is toegestaan als aannemelijk is dat het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking lager is. De bewijslast daarvoor ligt bij de belastingplichtige. Als vergelijkingsmaatstaf telt een werknemer met een aanmerkelijk belang niet mee, maar bij de meestverdienende werknemer is dat bezit niet relevant. Vakantiegeld en de auto van de zaak horen bij het loon dat wordt vergeleken, zo blijkt uit een door SRA besproken uitspraak van Rechtbank Den Haag.
Bron
Dit bericht is een signalering en geen advies. Aan de inhoud kunnen geen rechten worden ontleend; raadpleeg ons voordat u op grond hiervan handelt.