Achtergrond
Op 6 maart 2026 maakte minister Aartsen van Werk en Participatie bekend dat het kabinet het verduidelijkingsdeel schrapt uit het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar). Dat onderdeel moest wettelijk vastleggen wanneer iemand als zelfstandige werkt en wanneer als werknemer. Volgens de minister ontbrak het draagvlak en zorgde het voor onrust in de markt. In de plaats daarvan komt een Zelfstandigenwet, een afspraak uit het coalitieakkoord.
Het andere onderdeel van de Vbar is doorgezet. De Eerste Kamer stemde op 16 juni 2026 in met het wetsvoorstel, dat nu alleen nog het rechtsvermoeden bevat. Wie tegen minder dan 38 euro per uur werkt (peildatum 1 januari 2026) kan zich daarop beroepen, waarna de opdrachtgever moet aantonen dat geen arbeidsovereenkomst bestaat. De wet treedt op 31 december 2026 in werking en werkt dan onmiddellijk, ook voor bestaande arbeidsrelaties. Het rechtsvermoeden heeft alleen civielrechtelijke werking.
Wat dit in de praktijk betekent
Voor de loonheffingen verandert er niets: de Belastingdienst handhaaft sinds 1 januari 2025 volledig op schijnzelfstandigheid en toetst zelfstandig aan arbeid, loon en gezag, los van het rechtsvermoeden. Opdrachtgevers met opdrachtnemers onder 38 euro per uur doen er goed aan nu al na te gaan of zij kunnen onderbouwen dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. De criteria van het geschrapte deel gelden niet; het bestaande toetsingskader uit de rechtspraak blijft leidend.
Bron
Dit bericht is een signalering en geen advies. Aan de inhoud kunnen geen rechten worden ontleend; raadpleeg ons voordat u op grond hiervan handelt.