Achtergrond
De wet zelf dateert van 18 juni 2026 en is op 29 juni 2026 in het Staatsblad geplaatst (Stb. 2026, 158). Zij voegt een artikel 610aa toe aan Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. De wettekst noemt een beloning van ten hoogste 36 euro per uur; dat bedrag wordt geïndexeerd en naar boven afgerond op hele euro's. Voor de eerste toepassing na inwerkingtreding wordt het geldende bedrag bij ministeriële regeling bekendgemaakt. Het vermoeden geldt niet als de opdrachtgever een natuurlijke persoon is die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf.
De datum wijkt af van de vaste verandermomenten voor wetgeving. Volgens de nota van toelichting hangt dat samen met een mijlpaal uit het Nederlandse Herstel- en Veerkrachtplan: de wet moet vóór 1 januari 2027 in werking zijn getreden. De tijd tot de inwerkingtreding is bedoeld om werkgevenden en werkenden opnieuw te laten beoordelen of als zelfstandige kan worden gewerkt, of dat sprake is van een arbeidsovereenkomst.
Wat dit in de praktijk betekent
Opdrachtgevers hebben tot 31 december 2026 om hun overeenkomsten met zelfstandigen rond en onder de tariefgrens langs te lopen. Het vermoeden is in het Burgerlijk Wetboek opgenomen en verlegt de bewijslast naar degene voor wie wordt gewerkt. Wie een lopende opdracht wil voortzetten, zal per relatie moeten kunnen onderbouwen waarom geen arbeidsovereenkomst bestaat, of het tarief en de afspraken herzien. Houd voor het precieze bedrag de ministeriële regeling in de gaten die bij de inwerkingtreding hoort.
Bron
Dit bericht is een signalering en geen advies. Aan de inhoud kunnen geen rechten worden ontleend; raadpleeg ons voordat u op grond hiervan handelt.